Pr-post

Zoeken op:
Wat heeft de esa in het heelal te zoeken?

PERSBERICHT 4 april 2008 |

RuimtevaartMet de lancering van twee Europese ruimteschepen, het wetenschappelijk laboratorium Columbus in februari en het transportschip Jules Verne in maart, is de Europse ruimtevaartorganisatie ESA een volwaardige deelnemer in het International Space Station geworden. Schiet Europa daar iets mee op?

Geschreven door:job.van.der.wagt


Het is donker, het is nat, vleermuizen vliegen in het rond en tussen de bomen van het Amazone regenwoud staat een bijna zestig meter hoge raket op de hemel gericht, verlicht door schijnwerpers. Kourou, Frans Guyana, is een stukje Europese Unie vlakbij de evenaar, en de thuisbasis van raketbouwer Arianespace. Meestal worden hier telecom- of navigatiesatellieten gelanceerd, maar vannacht is de vracht bijzonder: het grootste en meest geavanceerde ruimteschip ooit door Europeanen gebouwd: de Automated Transfer Vehicle (ATV) Jules Verne. De ATV wordt gelanceerd om het International Space Station (ISS) te bevoorraden en daar een half jaar vastgekoppeld te blijven, waarna hij afgeladen met afval terugkeert naar de aarde en in de dampkring zal verbranden.Een halve dag eerder loopt Arianespace-persvoorlichter Mario de Lepine al onrustig op en neer over het terrein van de lanceerbasis. ‘Waarom ik zenuwachtig ben? De eerste lancering van dit type raket in 1996 duurde 36 seconden… Ik heb al tien lanceringen zien mislukken, ik weet hoe mensen eruitzien als twintig jaar werk ontploft en in de oceaan verdwijnt.’Om drie minuten over één in de nacht wordt het plotseling heel stil als een enorme luidspreker resoluut begint te tellen: ‘dix, neuf, huit…‘. Na ‘top‘ is het een paar seconden doodstil. Dan licht de hemel op door een lichtkoker, zo fel dat aan het donker gewende ogen de raket zelf nauwelijks nog zien. Seconden later klinkt een hard, knetterend geluid, als een bijzonder agressief onweer of een oorlogsgeschut ­ wat bij sommige toeschouwers de onverwachte drang oproept een veilig heenkomen te zoeken. Dan gaat het snel: binnen twintig seconden is de Arianspace-raket verdwenen in de wolken. Met op zijn neus het ruimteschip, met daarin 500 kilo voedsel voor de astronauten van het ISS, 80 kilo kleding, 20 kilo zuurstof, 270 kilo water, 136 kilo reserveonderdelen, 860 kilo brandstof voor het ruimtestation en iets te lezen voor de astronauten: een negentiende-eeuwse luxe editie van Jules Verne’s roman De la Terra à la Lune (Van de Aarde naar de Maan).De Europese ruimtevaartorganisatie ESA is door de lancering van het vrachtschip Jules Verne en het wetenschappelijk laboratorium Columbus in februari een volwaardig partner geworden van het International Space Station, het permanent bemande ruimtestation van de Verenigde Staten, Rusland, Japan, Canada en Europa. Het ISS komt voort uit het Amerikaans ruimtestation Freedom, een plan van halverwege de jaren tachtig, toen de Koude Oorlog in volle gang was en de ruimtevaart op haar top. In het begin van de jaren negentig nodigde de Amerikaanse president Clinton Rusland uit om deel te nemen aan Freedom. Om geld te besparen, als teken van verzoening en uit angst dat werkloze Russische raketgeleerden anders voor onbetrouwbare landen zouden gaan werken. Rusland deed mee en Freedom werd International Space Station. Tijdens een ministeriële conferentie in Toulouse in 1995 besloot ook Europa mee te doen, zij het in een bescheiden rol (zie kader ISS).

In 1998 werden de eerste onderdelen van het ruimtestation gelanceerd. Het station is nog niet helemaal af, maar er wordt al enkele jaren wetenschappelijk onderzoek gedaan. In 2010 moet het klaar zijn en als het aan ESA ligt, draait het station daarna nog ten minste tien jaar rond de aarde voor wetenschappelijk onderzoek. Volgens een ruime schatting gaat het hele project -­ van begin jaren negentig tot 2020 ­ honderd miljard euro kosten.

Het ISS is daarmee het duurste coöperatieve bouwproject ter wereld en tegelijk ook een voorbeeld van succesvolle internationale samenwerking. Het ruimtestation is bovendien een blijk van uitzonderlijke menselijke kennis en kunde. Maar wat levert de geïnvesteerde honderd miljard euro verder op? Wetenschappelijke doorbraken? Meer kennis over het heelal? Nieuwe technologie? Of wordt het ruimtestation, zoals veel Amerikaanse wetenschappers zeggen, vooral gebouwd omdat het zo’n geweldig avontuur is en omdat het nu eenmaal vlak na de Koude Oorlog is afgesproken? En wat heeft Europa eigenlijk te zoeken in dit Amerikaans-Russisch onderonsje?


Enkele uren vóór de lancering van de Jules Verne in Frans Guyana wil directeur-generaal Jean-Jacques Dordain van ESA desgevraagd wel een antwoord geven op al die vragen. Het voordeel voor Europa is drieledig, aldus Dordain. Allereerst draagt ESA met de bouw van het ruimtelaboratorium Columbus bij aan de vergaring van een grote hoeveelheid wetenschappelijke kennis. Ten tweede ontwikkelde ESA nieuwe technologie, die bij nieuwe missies en voor andere doeleinden opnieuw gebruikt kan worden. En ten derde is Europa door de lancering van de Columbus en de ATV een onmisbare partner geworden in de bemande ruimtevaart. Ofwel: Europa hoort er nu echt bij.

Volgens Dordain passen deze bijdragen aan het ISS naadloos in de doelstellingen van ESA: het ontwikkelen van nieuwe technologie en het doen van wetenschappelijk onderzoek. ‘Onze samenleving staat momenteel voor belangrijke problemen, zoals klimaatverandering. Het is de prioriteit van ESA dit soort problemen te helpen oplossen’ (voor ESA’s langetermijnplannen zie kader: Met de Russen naar Mars).

Toch is het wetenschappelijk nut van het ruimtestation op zijn minst uiterst omstreden. Natuurkundige Steven Weinberg, hoogleraar aan de Universiteit van Texas en winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde in 1979, wil, als we hem daarover bellen, wel vertellen wat hij ­- en met hem veel van zijn collega’s -­ vindt van het wetenschappelijk onderzoek in het ruimtestation: ‘Voor mijn vakgebied heeft het niets belangrijks opgeleverd en ik hoor hetzelfde van collega’s uit andere vakgebieden.’ Volgens Weinberg leren we van het ruimtestation alleen hoe we beter kunnen omgaan met de verwoestende effecten die het leven in de ruimte uitoefent op het menselijk lichaam. ‘Maar aangezien je voor wetenschappelijk onderzoek in de ruimte helemaal geen mensen nodig hebt, heb je die kennis eigenlijk ook niet nodig. De aanwezigheid van mensen staat het doen van goed wetenschappelijk onderzoek eigenlijk alleen maar in de weg, omdat het in leven houden van mensen -­ wat heel moeilijk is ­- logischerwijs de hoogste prioriteit heeft.’

Bob Park, hoogleraar natuurkunde van de Universiteit van Maryland, heeft zelfs voor het Amerikaanse Congres verklaard dat bemande ruimtevaart -­ waaronder onderzoek in het ruimtestation, maar ook dat in de Space Shuttle -­ geen enkel belangrijk wetenschappelijk resultaat heeft opgeleverd. ‘De ruimte is een vijandige omgeving voor mensen. We hebben daar niks te zoeken’, zegt Park nu, desgevraagd. ‘En we hebben robots die er weinig moeite mee hebben. Die hoeven niet te eten, hoeven niet te rusten, die blijven makkelijk vele jaren van huis en hebben ook nog eens veel betere ogen dan mensen. Bovendien is het goedkoper twee robots voor drie jaar naar Mars te sturen, dan de Space Shuttle één keer naar het ruimtestation.’

Marc Heppener, coördinator van het Europese wetenschappelijk onderzoek aan boord van het ISS, onderkent dat het wetenschappelijk onderzoek op het ruimtestation een investering van honderd miljard euro niet verantwoordt. Maar Heppener is van mening dat, nu het er eenmaal is, het ISS goed wordt gebruikt en dat wetenschappers uitstekende resultaten behalen, die regelmatig in wetenschappelijke tijdschriften als Science, Nature en the Lancet worden gepubliceerd.

lancering ESA
Klik voor vergroting Fotografie: ESA

In Amerika lijkt de kritiek op het ruimtestation niet zonder gevolgen te blijven. NASA’s hoogste man Michael Griffin zei in september vorig jaar dat hij weinig reden ziet het ruimtestation nog verder te onderhouden als NASA daar niet langer contractueel toe wordt gehouden, zoals vanaf 2015 het geval is. NASA’s terugtreden zou het einde van het ruimtestation betekenen, aldus ESA-directeur Dordain: ‘ESA kan het ruimtestation zonder Amerika niet betalen. En Rusland ook niet.’

President Bush heeft in januari 2004 aangekondigd vanaf 2020 een permanente met mensen bemande basis op de maan te willen bouwen. En daarna een op Mars. Weinberg en Park zijn van mening dat ook Mars- en maanonderzoek beter door robots kan worden gedaan, al hebben ook robots beperkingen. Weinberg denkt dat de Amerikaanse overheid bemande ruimtevaartplannen koestert vanuit gevoeligheid voor prestige en nationale trots. Hij denkt bovendien dat de president verkeerd wordt voorgelicht over de wetenschappelijke waarde van bemande ruimtevaart. De ruimtevaartindustrie heeft een stevige invloed in het Witte Huis, aldus Weinberg, en ziet zich met de nieuwe plannen van Bush de komende decennia verzekerd van miljardeninkomsten.

Het International Space Station werkt inspirerend, zeggen daarentegen de voorstanders, en stimuleert de jeugd een technisch vak te kiezen. En astronauten kunnen satellieten repareren, zoals bijvoorbeeld bij de Hubble-telescoop gebeurde. ‘Bemande ruimtevaart werkt inderdaad inspirerend’, aldus Park. ‘Maar het reparatieargument is niet juist. We kunnen satellieten ook zo ontwerpen dat ze geen onderhoud nodig hebben.’

Volgens Park is de echte reden voor het internationale ruimtestation, voor een bemande basis op de maan of voor een bemande basis op Mars, het geweldige avontuur. ‘En begrijp me goed: ook ík vind het een geweldig avontuur. Alleen is er nog zoveel belangrijk en interessant wetenschappelijk onderzoek te doen.’ Waarmee Park bijvoorbeeld doelt op NASA’s Deep Space Climate Observatory (DSCOVR) project, een belangrijk project dat door geldgebrek blijft liggen. Deze satelliet is al gebouwd ­- kosten: honderd miljoen dollar -­ maar ligt momenteel stof te verzamelen in een pakhuis in Maryland. Hij is bedoeld om precies op de lijn tussen de aarde en de zon te staan, zodat hij beide in de gaten kan houden. DSCOVR zou onder andere de reflectiviteit van de aarde meten en daarmee met absolute zekerheid vaststellen of het huidige broeikaseffect door de zon, dan wel door de uitstoot van kooldioxide wordt veroorzaakt. ‘Als die wordt gelanceerd, is die belangrijke wetenschappelijke vraag voorgoed beantwoord, voor een prijs die lager ligt dan de kosten om een nieuwe bemanning naar het ISS te vervoeren’, aldus Park.

ESA
Naast het uitvoeren van bemande ruimtevaart ontwerpt ESA communicatie- en navigatiesatellieten en ontwerpt én lanceert het aardobservatiesatellieten en onbemande ruimtevoertuigen. ESA omvat zeventien lidstaten. Die betalen mee aan basisprogramma’s, zoals onderzoek naar nieuwe technologie, naar rato van hun bruto nationaal product. Van de overige projecten bepalen de lidstaten afzonderlijk of ze eraan meedoen en of en hoeveel ze meebetalen. De Europese bijdrage aan het ISS wordt grotendeels betaald door Duitsland (41 procent), Frankrijk (28 procent) en Italië (19 procent). Nederland betaalt slechts 0,94 procent. Engeland, Portugal, Ierland en Oostenrijk betalen helemaal niet mee. ESA’s bescheiden rol in de bemande ruimtevaart is voornamelijk het gevolg van het beperkte budget. ESA heeft jaarlijks drie miljard euro te besteden, de NASA twaalf miljard. ESA besteedt ongeveer 13 procent van zijn budget aan bemande ruimtevaart. ESA’s zenuwcentrum bevindt zich in Noordwijk, bij Estec, waar ruim duizend techneuten werken en waar alle ESA-satellieten en ESA-ruimtevoertuigen uitvoerig worden getest.

ISS
Het International Space Station draait op vier honderd kilometer hoogte rond de aarde (en doet daar negentig minuten over). Het is vaak ’s nachts met het blote oog zichtbaar. Het ruimtestation wordt permanent bemand door drie astronauten; momenteel zijn dat de Rus Yuri Malenchenko en de Amerikanen Peggy Whitson en Garrett Reisman. Het ISS is vooral Amerikaans en Russisch, want de twee initiatiefnemers hebben de meeste praktijkervaring en het merendeel. De Amerikanen betalen ongeveer vijftig procent, de Russen ongeveer dertig procent, Europa betaalt acht procent.

In het ruimtestation wordt onderzoek gedaan naar de invloed van zwaartekracht op velerlei zaken, zoals planten en schimmels, plasmafysica, celbiologie en het menselijk lichaam. Ondanks het feit dat het ruimtestation relatief dichtbij de aarde staat, ondervinden de astronauten in het station geen zwaartekracht: het ruimtestation ‘valt’ rond de aarde en een voorwerp in vrije val voelt geen zwaartekracht. Dat is hetzelfde effect als wanneer je achtbaankarretje plotseling naar beneden duikt; ook dan voel je je even gewichtloos.

De eerste module van het ruimtestation ging in 1998 de ruimte in; de laatste moet in 2010 worden gelanceerd. Als alles goed gaat, wordt de zojuist gelanceerde ATV Jules Verne op 3 april aan het ruimtestation gekoppeld. Tot 2015 gaat ESA nog ten minste vier ATV’s lanceren.

Met de Russen naar Mars
‘Het uiteindelijke doel van bemande ruimtevaart is een bemande basis op Mars’, aldus algemeen directeur Jean-Jacques Dordain van ESA. Daarvoor moet eerst worden geoefend op de maan, want die staat dichterbij en dat maakt de reis en het verblijf goedkoper. ‘Op de maan kan de mens leren hoe hij zelf planten kan kweken om op te eten, hoe hij aan zuurstof komt en hoe hij raketbrandstof kan maken voor zijn terugreis’, aldus Dordain.

De maan en Mars hebben overigens niet ESA’s prioriteit. Dordain: ‘Klimaatverandering bedreigt ons op dit moment; de maan staat er nog zeker vijf miljard jaar.’

Om in de toekomst zelf astronauten te kunnen vervoeren ­ nu kunnen alleen de Amerikanen en de Russen dat ­ wil ESA op de lange termijn een eigen Crew Transportation Space Vehicle, een soort nieuwe Space Shuttle, bouwen. ‘Wij bouwen die graag samen met Rusland, want dat is goedkoper en bovendien kunnen wij van Rusland leren.’ Rusland en Europa zijn al in onderhandeling, maar volgens Dordain hangt het succes vooral af van de samenwerkingsgezindheid van de Russen. ‘Als wij alleen de wielen van het ruimteschip en de stoelen van de astronauten mogen maken, gaat het niet door’, grapt hij.

Het Internationaal Ruimtestation

Fotografie: Mieke Roth

Het Europese bevoorradingsvoertuig Jules Verne nadert het ruimtestation. De nadering verloopt automatisch en de Jules Verne bepaalt zijn plaats ten opzichte van het ISS met laserlicht (de rode lijn). De belangrijkste vaste onderdelen van het International Space Station zijn de Zarya Control Module (gelanceerd in 1998), die dienst doet als brandstoftank en batterij. De Unity (1998) en Harmony Node (2007), de leef-, slaap- en werkruimten van de astronauten, de Zvezda Service Module (2000), de belangrijkste leefvertrekken van de astronauten, de Canadarm2 (2001), een robotarm, en de Destiny (2001), Columbus (2008), beide wetenschappelijk laboratoria.

Met dank aan VNU Media

Share and Enjoy:
  • NetTaggers
  • MSN-Rep-BE
  • MSN-Rep-NL
  • eKudos
  • nujij
  • del.icio.us
  • digg
  • Technorati
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • Furl
  • Netvouz
  • Netscape
  • Ma.gnolia
  • De.lirio.us
  • Spurl
  • NewsVine
  • Simpy
  • TailRank
  • Fark
  • blinkbits
  • BlinkList
  • blogmarks
  • RawSugar
  • co.mments
  • MisterWong
  • Slashdot
  • Taggly
  • Blue Dot

4 april 2008
Comments

Geen comments

Er staan geen comments bij deze release.

Comments are closed at this time.

PR-Post is een initiatief van QueroMedia, specialisten in adverteren website
RSS